23 okt. Afgelopen week kreeg ik een smakelijk novembernummer in handen van het zakenblad Quote. In de glossy een artikel – het eerste in een reeks – over ‘leuk wonen in de duurste buurten van Nederland’. Gewapend met juicy pen trekt de verslaggever richting ‘rijkeluisenclave Laren waar kunstenaars, kakkers en boeren samen het glas heffen’. Ik struin door het blad. Sterrenmakelaar Jacques Walch, die beroemdheden als Dennis Bergkamp en André van Duin aan een Goois stulpje hielp, bijt het spits af. ‘Dezelfde zwembroek levert meer op in Saint-Tropez dan op de Noordpool’, quoot hij. ‘In het geval van Laren zijn dat rustieke villa’s uit de jaren dertig. Het liefst met een grote keuken en graag instapklaar, zodat de dozen meteen kunnen worden uitgepakt. Die brengen veel meer op dan moderne huizen. ‘Ik heb ze van 11, 19 en 35 miljoen.’ Van wie ze zijn, vertelt Walch niet. Hij weet wel beter. ‘Daarover wordt geoordeeld in ons calvinistenland. Jalousie de métier. Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Vermogende mensen kruipen daarom allemaal achter de heg.’
De journalist blikt terug op hoe Laren als kunstenaarsdorp is ontstaan en in de tweede helft van de vorige eeuw samen met omliggende dorpen werd neergezet onder de noemer ‘het Gooi’. Hij juicet: ‘Een plek waar, in de beleving van de rest van het land, verveelde huisvrouwen sherry slurpen zodra de drie in de klok zit, de Bentleys ’s morgens gierend richting de Amsterdamse Zuidas vertrekken en hoogblonde koters het Kinderen voor Kinderen-koor versterken met hun schelle stemgeluid.’
Laren is allang méér dan een kunstenaarsdorp, herpakt hij zich. ‘Een plek waar de top van het bedrijfsleven wordt gekweekt. Neem de familie Van den Brink, waarvan drie opeenvolgende telgen – allemaal Dolf geheten – de touwtjes in handen hadden bij Elsevier, ABN Amro en Heineken.’
Bestaat er eigenlijk zoiets als de Larenaar, vraagt de journalist zich af. Het komt hem te staan op een tik op de vingers van Brinkhuis-directeur Leon Schouten. ‘Iemand die hier geboren en getogen is, noem je Laarder, de rest is Larinees of Larenaar.’ Maar is dat laatste zo, Larenaar? Ik twijfel. Volgens mij is dat iemand die in het Gelderse Laren woont. Ik bel met het Historisch Genootschap in de Achterhoek .Zij noemen zich inderdaad Larenaar. Iemand die dus in ons dorp geboren en getogen is, is een Laarder. Komt-ie van buiten, een Larinees. In Den Haag is het overigens precies andersom. Wie geboren en getogen is in de Hofstad, is een Hagenees en iemand van buiten Den Haag een Hagenaar. Grappig, niet? Het kan nog verwarrender. Een geboren en getogen Laarder van nu – lees er de Laarder Courant de Bel maar op na – werd tot in de jaren veertig een Larinees genoemd. Hoe die omslag naar Laarder tot stand is gekomen, weet ik niet. Ook heb ik nergens gelezen dat destijds dan een bewoner van buitenaf Laarder zou zijn genoemd. Ingewikkeld allemaal.
Ik heb me verder kostelijk vermaakt met alle clichés over ons dorp. Voor mij gaat de glossy in mijn archief, tussen eerdere, gelijksoortige spraakmakende specials over Laren in Elsevier en Het Parool. Heerlijke weekendliteratuur voor een aanstormend herfstweekend.
Bol-an, mensen! Iedereen kan nog steeds mee met de Bol-an-wandeling, inclusief gratis koffie en gebak! Zaterdag 7 november richting de Laarder molen en de Larense eng. Een wandeling boordevol opmerkelijke verhalen! U kunt zich opgeven via laren@voorma-walch.nl. We starten om 10.00 uur.
Leo Janssen


